Tagarchief: Mijmering op zondag: zeilersforum barbecue 30 april 2016: koud?

Mijmering op zondag: zeilersforum barbecue 30 april 2016: koud?

boot2

boot1

barbecue

Mijmering op zondag: zeilersforum barbecue 30 april 2016: koud?

‘Jeroen, wat gezellig. Een barbecue van het zeilersforum op de Trintelhaven. Maar zou het nog wel doorgaan?’
Ik kijk Jeroen vragend aan terwijl hij in zijn thermohemd ons bed uit komt uit het vooronder.
Hij heeft alleen maar aandacht voor de schakelklok waarmee hij de kachel met een ruk aanzet. Vervolgens blijf hij beweegloos zitten met zijn handen en benen voor het rooster om maar geen warmtevlaag te hoeven missen.
‘Desiree, wil jij de koffie zetten? Ik moet eerst even warm worden.’
Ik knik al kan ik met moeite mijn lach onderdrukken. ‘Heerlijk, een weekje op de boot, nietwaar?’
‘Laat het eerst maar goed warm worden in de boot. Ongelooflijk dat het al 30 april is. Dit is geen weer voor een blanke. Ik verwacht trouwens zo’n tien tot vijftien boten. We zullen wel drie dik moeten gaan liggen in de Trintelhaven.’

‘Laten we alleen de genua uitzetten. De wind komt toch bijna recht van achteren.’
‘Met het grootzeil gaan we wel een knoop harder,’ oppert Jeroen.
‘Voordat het grootzeil staat, zijn mijn vingers zijn er dan allang vanaf gevallen door de kou.’
Gelukkig laat Jeroen zich overhalen.
Terwijl onze zesendertigvoetige Sigma door het water snijdt met een gangetje van drieënhalve knoop, zitten we genoeglijk in de zon: Jeroen met zijn pet op, ter bescherming tegen de zon én kou en ik met mijn sjaal goed om mijn hoofd geknoopt.
‘De religieuze politie in Saoedi-Arabië zou trots op me zijn, als ze me hier zo zouden kunnen zien.’
‘Het blijft heel bijzonder, hè Desiree, dat jij een jaar in zo’n extreem land hebt geleefd. Zo gaaf dat jouw boek over jouw ervaringen in het najaar uitkomt.’
Jeroen pakt mijn hand vast.
Ik heb het ineens niet meer koud.

‘Kijk, daar is de Trintelhaven al. Ik zie nog maar weinig boten die kant op gaan.’ Jeroen pakt zijn verrekijker en zoekt vervolgens het gehele IJsselmeer af.
‘Ze staan ons vast al op te wachten om ons een warm welkom te wensen.’
Als we de haven invaren zie ik twee mannen op de kade staan.
‘Gooi de lijn maar, die leg ik wel vast,’ roept Albert.
Ook Bert laat zich niet onbetuigd en kan nog net de voorlijn opvangen van Jeroen.
‘Tijd voor een drankje. Waar liggen jullie boten?’
‘In de thuishaven. We zijn met de auto,’ roepen Albert en Bert tegelijk.
‘Mij te koud om te varen,’ voegt Bert er aan toe. ‘Ik heb wel een grab bag bij me. Met daarin het belangrijkste: een fles whisky. Kan ik bij jullie aan boord komen? In de auto drinkt het niet makkelijk.’
Al gauw zit onze kuip vol met enthousiaste zeilersforumleden en aanhang. Het ene sterke zeilverhaal haalt het niet bij de andere. Helaas moeten we al vroeg afscheid nemen van Tjitse. Vol bewondering kijk ik hoe hij in zijn eentje zijn schip wegvaart. Nog voor hij de Trintelhaven verlaten heeft, staan zijn zeilen al.
‘Kom we gaan naar de mannenboot, naar Hans.’ Bert staat op en neemt de inmiddels tot de helft geslonken fles whisky in zijn grab bag mee. ‘Ik heb ook nog sigaren bij me.’
De mannen struikelen bijna over elkaar heen om hem te volgen.

‘Nu kunnen we tot een echt gesprek komen,’ zegt Marian. ‘De mannen hebben het wel over zeilen, maar niets gaat boven het wonen op een woonark.’
‘Waar woon je dan?’
‘In Purmerend, met onze eigen zeilboot langszij. Wat wil je nog meer?’
‘Wow. Al zou ik de voorkeur geven aan een varende woonboot en dan de wereld rondzeilen.’
Ik kijk Marian aan. ‘We zijn met onze zeilboot naar Engeland en de kanaaleilanden geweest en de afgelopen jaren zelfs via Denenarken tot aan Zweden gekomen. Al is dit niets in vergelijking met het jaar dat ik in Saoedi-Arabië ben geweest. Zodra ik thuis kwam, dacht ik, dit moet de gehele wereld weten wat hier gebeurt. Daar moet ik over schrijven.’
‘Desiree, hoe kom je daar verzeild?’
‘Ik wilde altijd al in het buitenland gaan werken, ik was vrijgezel en hoorden dat ze er wel vijfduizend prinsen hadden. Ik dacht, daar zal toch wel een prins van mijn dromen bij zitten.’
Ik moet even op adem komen. ‘Maar daar ben ik wel van teruggekomen. Wat een strenge regels gelden daar. Zelfs voor mij als westerse vrouw. Een totaal andere wereld. Ik heb er zelfs een onthoofding gezien.’
De twee jongedames, veertien en achttien jaar oud, kijken geschrokken voor zich uit.
Marian springt op. ‘Ik ga naar de mannen.’
Nog geen tien minuten later is ze terug. ‘Het staat er blauw van de rook, maar de vrouw van Hans vindt het goed dat er gerookt wordt. Ik heb er zo’n hekel aan. Een zoen krijgen van een rokende man is ook zo vies. De tong is een en al rook. Gelukkig is Albert jaren geleden gestopt met roken.’
‘Kom laten we alvast de barbecue aansteken. Achter de bomen is nog wel een beschut plekje. Zodra de mannen de geur van een geroosterd worstje ruiken, komen ze vanzelf.’
Ik pak de wegwerp barbecue en lees de gebruiksaanwijzing. ‘Wie heeft er nog aanmaakblokjes?’

‘Marian, gelukkig heb jullie een gasstel.’
Dankbaar gooi ik de saté -voor slechts een klein gedeelte geroosterd- in de pan waar het vet uitnodigend sist. Vanuit mijn ooghoeken zie ik de laatste rookpluim uit mijn eigen wegwerp barbecue komen.
‘Ik vrees dat de wind er teveel vat op heeft gekregen.’
‘Het is ook wel zo gezellig met elkaar. Jullie zaten zo ver weg, zo afgezonderd. Van wie is trouwens die grote T-bone?’
‘Wat jammer dat er zo weinig mensen zijn gekomen.’
‘Het gaat om de kwaliteit, niet om de kwantiteit. Wie wil er nog een marshmallow?’
Terwijl de glazen nog een keer bijgevuld worden zie ik hoe gemoedelijk iedereen met elkaar in gesprek is. Het voelt als een warm bad.
Wat zei Jeroen ook al weer: ‘Thuisblijvers hebben altijd ongelijk.’

Desiree Janssen,
Sigmagic

Advertenties